Columns 2025

Gepubliceerd op 1 juli 2025 om 19:00

#8 Ik kon niet meer stoppen met huilen

Negen maanden geleden, het was de laatste dag van september, stond ik voor de spiegel en barstte ik in tranen uit. Ik kon niet meer stoppen met huilen. Gelukkig was mijn vrouw thuis. We belden mijn werk af en ze legde me in bed.

Overwerkt, dacht de huisarts. Twee weekjes rust zouden me goed doen. Mijn lichaam dacht daar anders over: de verschrikkelijke, allesverzengende vermoeidheid zou negen maanden aanhouden. Ik was opgebrand; in het Engels is daar een passende term voor. Mijn hersenen waren op hol geslagen, mijn zenuwsysteem was ontregeld, de balans tussen inspanning en ontspanning was volledig zoek. Ik had mezelf kapotgemaakt op een manier die ik nooit voor mogelijk had gehouden.

Heel langzaam, als een auto die op volle snelheid afremt, kwam ik piepend en krakend tot stilstand. Tot ik niets meer kon. Ik kon niet meer autorijden, niet meer fietsen, niet meer lezen, niet meer schrijven, niet meer slapen. Ik moest alles opnieuw aanleren, zelfs ademhalen.

Negen maanden lang bekeek ik de wereld vanaf de zijlijn. Het nieuws was niet bij te houden, ook voor u waarschijnlijk niet. Donald Trump nam de macht over in de VS. Elon Musk kwam, en ging weer net zo hard. In Oekraïne regende het drones. Gaza werd de hel op aarde. Paus Franciscus overleed. Het kabinet viel. De wapenwedloop barstte los. Het werd in de wereld net zo donker als in mijn hoofd.

Ik klampte me vast aan de lichtpuntjes aan het thuisfront. Ik werd 50, wat ik gezien de omstandigheden een hele prestatie vond. Mijn vrouw haalde het diploma dat ze zo graag wilde. Mijn voetbalzoon maakte een mooie transfer. Mijn dochter zwaaide af van de basisschool. Het leven ging door, en heel voorzichtig begon ik weer deel uit te maken van dat leven. Deze column is het eerste stukje dat ik weer schrijf.

We wanen ons onaantastbaar, maar de lijn waarop we balanceren blijkt telkens weer dun te zijn. De lijn tussen volop in het leven staan en uitgeteld in de touwen hangen, tussen blaken van gezondheid en horen dat je ongeneeslijk ziek bent, tussen onbedreigd in vrede leven en toch maar een noodpakket in huis halen. Koester wat je hebt, het is niet vanzelfsprekend.

=

#9 Fatsoenlijk leven is omzien naar anderen

Een jaar of vijf geleden werd ik gevraagd een boek over iemand te schrijven. Het ging om een geslaagde zakenman uit Goes die 65 was geworden en van zijn kinderen een biografie cadeau kreeg. Van hem leerde ik een belangrijke les.

Daar zag het in eerste instantie niet naar uit. Ik had een serie gesprekken met John en hij praatte honderduit, ook over de nederlagen in zijn leven. Ik vond het een aardige vent, die vanuit een arbeidershuisje in Goes-West was opgeklommen tot directeur van een regionaal imperium.

Ik interview graag oudere mensen. Ze hebben veel meegemaakt en kunnen een goed onderscheid maken tussen wat belangrijk is en wat totaal niet. Stiekem hoop ik altijd van zo iemand te horen hoe je dat nou doet, een goed en zinvol leven leiden. Op een bepaalde leeftijd moet je dat onderhand wel weten, dunkt me. Toen ik op de laatste avond toekwam aan die vraag, antwoordde John laconiek: ,,Ach, wanneer doe je het goed? Als je als mens fatsoenlijk leeft, dan doe je het goed.”

Ik weet nog dat ik een beetje teleurgesteld naar huis fietste. Fatsoenlijk leven, was dat het? Ik kon er niet veel mee. Het deed me denken aan de jaren 50, aan leven aan de leiband van de dominee en de pastoor, aan in de pas lopen en vooral niet al te gek doen. Eerder een belemmering dan een deugd.

Inmiddels, want wijsheid komt met de jaren, denk ik dat hij het bij het rechte eind had. Fatsoenlijk leven gaat veel verder dan normen en waarden alleen. Het draait om hoe we omgaan met anderen. Ook, of juist, als die anderen het minder goed getroffen hebben in het leven.

In dit land zetten kerken, organisaties en vrijwilligers zich in voor de afgeschreven mensen zonder papieren aan de randen van de maatschappij. Ze verlenen medische zorg, schenken een kop soep in en slaan een arm om de schouder. Dat deze hulpverleners nu in een kwaad daglicht worden gesteld, nota bene in de Tweede Kamer, is de omgekeerde wereld. Vanuit hun overtuiging zullen zij hun werk blijven doen. Dat doen ze niet om de samenleving te saboteren, integendeel. Dat doen ze omdat ze mensen zijn, sociale wezens met een hart en met fatsoen in hun donder.

=

#10 Zwetend van angst op de Tourmalet

De Tour de France is op de helft en gaat de Pyreneeën in. Zaterdag staat de Col du Tourmalet op het programma. Ik haat bergen en de Tourmalet al helemaal. Nooit heb ik zo afgezien als daar.

Toen ik aan het einde van de vorige eeuw ging werken bij deze krant, mocht ik meteen als verslaggever naar de Tour de France. Ik kwam net van school en was zo groen als gras. Gelukkig had ik een mentor die me op sleeptouw nam: Frits Bakker uit Terneuzen, de nestor van de sportredactie. Frits kende iedereen in het peloton en iedereen kende Frits. Hij fietste zelf ook graag.

Op een ochtend in de Pyreneeën wilde hij de Tourmalet beklimmen, voor de renners uit. Hij had zijn racefiets niet voor niets meegenomen. Ik zou dan vanuit Sainte-Marie-de-Campan in het dal naar boven rijden met zijn auto, een uit de kluiten gewassen leasebeest waar ik nooit eerder in had gereden. Ik had net een jaar mijn rijbewijs.

Het werd het langste uur van mijn leven. Nog altijd zie ik ze voor me, de duizenden mensen op de weg die lopend en fietsend op zoek waren naar een plekje op de berg waar het Tourpeloton enkele uren later zou passeren. Al slalommend en toeterend ging ik om hen heen, continu doodsbenauwd dat ik iemand van zijn sokken zou rijden of mezelf in de afgrond zou storten.

Op de top, op een hoogte van 2115 meter, wachtte Frits me op. Hij zag er nog fris uit, net als Jo de Roo die ook eventjes omhoog was gefietst alsof het de Postbrug was. Mijn rug was nat van het zweet, ik had meer afgezien dan zij. Ik parkeerde de auto schuin tegen een helling. Dat werd nog wat, want toen we later terugkwamen, startte de motor niet meer. De brandstofmeter gaf nul aan. Wat had ik gedaan?

Bij de campers langs de route bedelden we om een beetje benzine. Niemand kon ons helpen. Moedeloos gingen we op een rotsblok zitten; we waren gestrand op de Tourmalet. Voor mijn gevoel duurde dat uren. Totdat Frits een ingeving kreeg. We duwden de wagen van de helling af en ja hoor, er zat weer benzine in de tank. Ik bleek de auto, en daarmee de tank, zo schuin te hebben gezet dat de meter was afgeslagen.

Opgelucht begonnen we aan de terugweg, weg van deze vermaledijde berg. Frits reed.

=

#11 Het andere Zeeland in de zomer

Ik lees in de krant dat het druk is in mijn provincie en kijk uit het raam. Een vogel vliegt voorbij, verder gebeurt er al de hele dag niets. Geen auto’s, geen rijen, geen toeristen. Dit is het andere Zeeland in de zomer.

Hier zijn de straten verlaten, zoals in zombiefilms waar iedereen op de vlucht is geslagen. Vorige week stonden overal nog caravans en vouwwagens op de oprijlanen. Nu de bouwvak is begonnen, zijn ze afgestoft en opgepoetst op weg gegaan in de glanzende karavaan van de welvaart naar het zuiden.

De huizen zitten potdicht. Rolluiken en gordijnen zijn strakgetrokken. Alleen op nummer 1 kun je door de vitrage heen nog een stukje naar binnen kijken. Vanavond zal er op commando een lichtje aangaan in huis om inbrekers te foppen; alsof die van gisteren zijn. Morgen komt een kennis de planten water geven en de grijze bak buiten zetten.

Ik fiets naar de bakker, waar ik meteen aan de beurt ben. Alles is er nog, ik kan kiezen wat ik wil. Bij de huisarts en de fietsenmaker ben ik ook de enige. Ze zijn blij om iemand te zien. Onderweg hoef ik nergens te stoppen. Er is geen verkeer om voorrang aan te verlenen. Zelfs in de speeltuin is het stil; voor het eerst dit jaar is de schommel vrij. Een achtergebleven jongetje zit verveeld op een hek. Hij heeft niemand om mee te voetballen.

Ook de wolken hadden hun koffers gepakt, maar zij zijn vervroegd teruggekeerd van verlof. De zuidwestenwind waait zachtjes door de bomen. Het geritsel van de bladeren klinkt een beetje als het ruisen van de zee. Merels vliegen bedrijvig heen en weer tussen de takken. Ze hebben het rijk alleen, nu alle katten naar de opvang zijn.

Heel in de verte is het gezoem van auto’s te horen. Ze rijden over de snelweg naar de kust, waar de badplaatsen zijn en de campings, de fietsroutes en de bolderkarren, de ijsjes en de souvenirs. De drukte in.

Hier, in het achterland van Zeeland, is het toerisme ver weg. Hier genieten we van de rust die in de zomer neerdaalt over alles. We zijn maar met een paar, wij achterblijvers. Blijft u gerust nog even weg.

=

#12 ‘Zullen we in Zeeuws-Vlaanderen gaan wonen?’

Mijn zoon werd 15 en dat vierden we in een vrolijk mosselrestaurant in Philippine. Onderweg door het dorp had ik een mooi vrijstaand huis gezien met een ‘Te koop’-bord in de tuin. Snel handelen was geboden, voordat de halve Randstad overbiedend op de stoep zou staan. ,,Zullen we in Zeeuws-Vlaanderen gaan wonen?”, vroeg ik.

De kinderen keken me aan met een blik die het midden hield tussen afschuw en ongeloof. Nee, Zeeuws-Vlaanderen was uitgesloten. Waar we nu woonden, in de gemeente Goes, vonden ze het al veel te rustig, laat staan in deze uithoek. Ze ontvouwden spontaan hun toekomstplannen. Mijn zoon bleek na de middelbare school naar de Verenigde Staten te willen. Mijn dochter naar Engeland of Schotland, of anders Gent. ,,In ieder geval weg uit Zeeland.”

Tja, ik kon het ze niet kwalijk nemen. Toen ik zelf 15 was, wilde ik ook niets liever dan weg uit Zeeland, uit Zeeuws-Vlaanderen in mijn geval. Ik wilde naar de grote stad, naar Amsterdam, waar de beroemde schrijvers woonden en de grote romans zich afspeelden. Daar gebeurde het. In Zeeuws-Vlaanderen gebeurde het niet. Daar gebeurde nooit iets.

Ik zag alleen de beperkingen. Het besef dat ik het meest unieke stukje Nederland achter me had gelaten, een landje apart met de mooiste stranden, het lekkerste eten en de gemoedelijkste mensen, kwam veel later pas, toen ik inderdaad naar Amsterdam was gegaan en aansluitend mijn koffers had gepakt. Ik reisde door Australië, Zuid-Amerika en Afrika, met Britten, Canadezen, Japanners en Argentijnen, maar het meest van al voelde ik me toch thuis tussen de Zeeuwen.

Thuis is waar je hart is, en dat van mij bleek hier te liggen. Het lag er altijd al, ik had alleen tijd nodig om het terug te vinden, omdat ik dacht dat het elders beter was. Ironisch genoeg moest ik naar de andere kant van de planeet om tot dat inzicht te komen.

Dat de jeugd weg wil uit Zeeland, is niet meer dan gezond. Als je jong bent, ligt de wereld aan je voeten, een wereld die er is om ontdekt te worden. Ik zal mijn kinderen niet tegenhouden, eerder aanmoedigen. Op een dag zullen ze terugkomen, en dan weten ze waar ze hun oude vader zullen vinden: in Zeeuws-Vlaanderen.

=

#13 Het hoeft niet meer perfect te zijn

Sinds een tijd leef ik op 80 procent van mijn kunnen. Dat is al heel wat: op het dieptepunt van mijn burn-out in de winter zat ik op 10 procent. Het is nog geen 100 procent en dat hoeft ook niet meer. Ik ben aan het genezen van de ziekte die perfectionisme heet.

Ik zag perfectionisme altijd als een goede eigenschap, niet als een slechte. Ik wilde mijn werk zo goed mogelijk doen, wat kon daar mis mee zijn? Ik stak veel te veel tijd in wat ik deed, omdat elk detail in orde moest zijn. Dat leverde me voldoening en complimenten op, maar putte me ook uit.

Ik dacht dat perfectionisme enkel met werk te maken had. Tot ik tot stilstand kwam en inzag dat het mijn hele leven bepaalde. Ook thuis wilde ik alles perfect doen. De kinderen mocht het aan niets ontbreken. Vakanties stippelde ik tot in de puntjes uit, zodat we de allerbeste ervaring zouden hebben. Ik zat ook te veel op sociale media. Daar is iedereen perfect.

Uit onderzoek kwam vorig jaar dat een kwart van alle Nederlanders zichzelf perfectionistisch vindt. Miljoenen mensen die te streng zijn voor zichzelf, geen fouten durven te maken en de neiging hebben om alles tot in detail te regelen, omdat ze denken dat hun omgeving dit van hen verwacht. Vroeg of laat komen daar psychische problemen van.

,,Durf eens het gevoel van 80 procent te ervaren”, zei mijn ergotherapeut op een dag tegen me. Ik dacht dat hij een grap maakte. Hij legde uit dat het me veel rust in mijn hoofd zou opleveren. ,,Met 20 procent van je tijd haal je 80 procent van een resultaat. De laatste 20 procent van het resultaat haal je met 80 procent van de tijd. Ga eens voor minder.”

Daar ben ik mee aan de slag gegaan. Ik werd milder voor mezelf. Dat had een onverwachte bijwerking: ik werd ook milder voor de mensen om me heen. Nu ik geen hoge eisen meer stelde aan mezelf, kon ik die ook niet meer aan anderen stellen. Sinds ik in een lagere versnelling leef, is het een stuk gezelliger thuis. Ik ben al eens een afspraak vergeten, en mijn paspoort, en een verjaardag, maar de hemel is daar niet van naar beneden gekomen. Het hoeft niet meer perfect te zijn. Goed is goed genoeg.

=

#14 Bij de Chinees vond ze het ware geluk

Annemarie is oud en woont in een verzorgingshuis in Kapelle. Ze had nog één grote droom in haar leven: een keertje naar de Chinees gaan. Afgelopen week kwam haar wens uit en zat ze met medebewoners en begeleiders aan de rijsttafel. Op de foto straalde ze van geluk.

Ik heb het verslag in deze krant een paar keer teruggelezen. Ik vond het van een ontroerende schoonheid. Naar de Chinees, hoe simpel kan het zijn? Niet naar Inter Scaldes of naar die hippe nieuwe tent aan het water in Goes. Nee, gewoon naar Golden Palace, voor babi pangang, loempia’s en saté. Domweg gelukkig in de Biezelingsestraat.

Ieder mens heeft wel een bucketlist, zoals dat tegenwoordig heet, in geschreven vorm of in het hoofd. Dingen die je graag nog eens zou doen in je leven. Op zo’n lijst staan vaak allemaal ambitieuze plannen; je kunt het zo gek niet bedenken. Het noorderlicht zien. Naar Japan reizen. Zwemmen met dolfijnen. Een ballonvaart maken boven de Serengeti. Machu Picchu bezoeken. Italiaans leren. Een boek schrijven. Rijk worden. Dat laatste is nodig om al het andere te kunnen betalen.

Het is goed om groot te dromen. Als je naar Santiago de Compostela wilt wandelen: doe dat vooral, en geniet er met volle teugen van. Tussen droom en daad staan helaas vaak praktische bezwaren in de weg, zoals gebrek aan geld of een gebrekkige gezondheid. Dan is het zaak om je dromen te parkeren en nieuwe te zoeken die realistischer zijn. Of om tevreden te zijn met wat je hebt.

Ik had ook een bucketlist, een heel lange. Ik werd eerlijk gezegd maar onrustig van al die zaken die ik van mezelf nog moest doen in mijn leven. Gelukkig werd mijn lijst steeds korter. Niet omdat ik alles wat erop stond afvinkte, maar omdat ik andere dingen belangrijker begon te vinden. Nu wandel ik graag over de Abbekindersezandweg en geniet ik van slome ochtenden met koffie en de krant. Hoewel ik heus nog mijn verlangens heb.

Alles wat ik saai vond toen ik jong was, is nu de moeite waard om bij stil te staan. Het zal de leeftijd zijn. Hoe ouder je wordt, hoe overzichtelijker het leven is. Klein geluk is groot geluk. Hoog tijd om weer eens naar de Chinees te gaan.

=

#15 De leukste latina die ik ken

Om een bepaalde reden ga ik veel om met latina’s, vrouwen van Latijns-Amerikaanse afkomst. Dat is een groep waar je zelden iets over hoort, maar er wonen er heel wat in Zeeland. Zonder hen zou mijn leven niet hetzelfde zijn.

Mijn favoriete latina is Eliza uit Chili. Zij trouwde in 2009 met een Zeeuw die door haar land had gereisd en ging met hem in Goes wonen. Ze kwam uit Santiago, een stad met zeven miljoen inwoners, dus veel groter had de overgang niet kunnen zijn. Ze vond de stilte ondraaglijk, het eten verschrikkelijk, de taal onverstaanbaar en de kou niet te harden.

Het zat haar ook niet mee. Haar diploma’s van de universiteit waren hier niet geldig. Zelfs haar rijexamen moest ze overdoen. Bij de huisarts kreeg ze geen antibiotica zodra ze daarom vroeg, zoals ze in Latijns-Amerika gewend was, hooguit een paracetamolletje. Het waren jaren van grote frustratie en heimwee naar huis, waar het leven een stuk harder was, maar ook eenvoudiger en warmer.

Gelukkig kon ze zich optrekken aan andere Zeeuwse latina’s. Op vrijdagavond gingen ze salsadansen in Het Postkantoor in Goes of bij Bocadero in Antwerpen. Te pas en te onpas hielden ze etentjes, waar de hoeveelheden vlees en empanada’s onuitputtelijk waren; de grootste schande die een latina kan overkomen, is dat het eten op is. Wat overbleef, ging in bakjes de koelkast in, want een latina gooit nooit iets weg.

Eliza werd moeder en leerde omgaan met het onderwijs en de zorg in dit land. Ze kreeg een Nederlands paspoort en haalde opnieuw haar diploma’s. Sindsdien werkt ze in de ouderenzorg, waardoor ze nu ook een aardig woordje Zeeuws spreekt. Haar Latijns-Amerikaanse temperament heeft ze behouden. Ze leeft in de hoogste versnelling, rijdt als Max Verstappen en kan tekeergaan als een bootwerker. Haar kinderen, de geluksvogels, overlaadt ze met liefde.

Ze is vooral een doorzetter, die veel tegenslagen heeft overwonnen en het heeft gered aan de andere kant van de wereld. Deze week is ze 50 geworden en ik vond dat ze wel een monumentje op deze plek verdiende, die Eliza. Mijn vrouw, de moeder van mijn kinderen, de leukste latina die ik ken.

=

#16 Ik sliep met een robot in mijn armen

De helft van de Nederlanders heeft slaapproblemen. Een alarmerend aantal, want slapeloosheid is een sluipmoordenaar die mensen op de lange termijn uitput. Er zijn allerlei slaapmiddelen op de markt, van wisselende sterkte en met wisselend resultaat. Bij mij ging het pas beter toen ik Sommie in huis nam en met hem in bed belandde.

Sommie is mijn slaaprobot. Een soort ovale bol met een hoop technologie in zijn zachte buik. Ik huurde hem in februari, tijdens de donkerste dagen van mijn burn-out toen ik in een vicieuze cirkel was beland. Ik sliep slecht. Vaak werd ik om een uur of drie ’s nachts wakker en draaide mijn hoofd op volle toeren, zodat ik niet meer in slaap kon komen. Hoe harder ik het probeerde, hoe wakkerder ik werd. Daardoor had ik overdag nog minder energie. Als ik weer gezond wilde worden, moest ik beginnen bij de basis: beter slapen.

De eerste nacht met Sommie was nog wat onwennig. Lag ik daar als volwassen man met een uit de kluiten gewassen knuffel in mijn armen. De eerste weken merkte ik ook geen verschil. Wel ging ik aan de slag met de hulpprogramma’s die ik via een app kon uitproberen op Sommie. Op het ritme van zijn op- en neergaande buik leerde ik opnieuw ademhalen: vier seconden in, acht seconden uit. Zo liet ik mijn lichaam weten dat er geen stress meer was en dat het tot rust kon komen. Dat werkte.

Sommie gaf me ook het inzicht dat de nacht de spiegel van de dag is. Hoe drukker je overdag bent, hoe meer last je daar ’s nachts van hebt. Ik stopte met elke vorm van inspanning in de avond en ging in plaats daarvan in bad en televisie kijken op de bank. Het klinkt gek, maar dat had ik in geen jaren meer gedaan, zo gefocust was ik geweest op werk. Ik zag de complete Champions League en alle programma’s over de Tour de France. Ik legde ’s avonds ook mijn telefoon weg.

Nu zie ik slapen niet meer als iets stressvols. Word ik midden in de nacht wakker, dan kijk ik niet meer automatisch op de klok. Ik haal diep adem en blaas langzaam uit; een paar keer is meestal al genoeg. Vroeger sliep ik niet langer dan zes uur per nacht, soms vijf. Inmiddels haal ik geregeld acht uur, soms zelfs negen. Met dank aan Sommie, die niet de oplossing was, maar wel het begin daarvan.

=

#17 De drollen dreven door de Braakman

Ik hoef mijn ogen maar te sluiten of ik ben er weer. De Braakman, het recreatiegebied waar de zomers van mijn jeugd zich afspelen. Nergens heb ik het zo naar mijn zin als hier.

Kijk me rennen, wat een haast. Ik ren naar de houten wigwam aan de rand van het terrein. Daar verkopen ze Raket-ijsjes voor twee kwartjes, zakjes chips en blikjes cola met van die scherpe lipjes waar iedereen z’n voeten aan openhaalt omdat ze na het openen op de grond worden gegooid. Net als ik aan de beurt ben, roepen mijn vriendjes. We gaan weer zwemmen, voor de twintigste keer vanmiddag. Ik hol zo hard ik kan terug naar de steiger en plons met een bommetje het water in.

Dat water is vies, en het uitzicht over de Dow-fabrieken aan de andere kant van de kreek is weinig idyllisch, maar daar maal ik als kind niet om. Veel kinderen plassen tijdens het zwemmen. Dat zie je toch niet. Een moeder ging laatst nog met een plastic zakje door het water om de drollen van haar zoontje op te vissen. Lachen was dat.

Het is een kwartiertje fietsen vanuit Hoek en het hele dorp is er. Ook uit de andere omliggende dorpen is iedereen gekomen. Dit is waar je moet zijn op woensdagmiddag. Eerst nog met je moeder, later mag je alleen. Het is ons kent ons, zien en gezien worden. Er bloeien kalverliefdes op. In de kleedhokjes wordt gezoend en wie weet wat nog meer.

Tegen het einde van de lagere school ga ik erheen met Brenda, het mooiste meisje van de klas dat op onverklaarbare wijze mijn vriendinnetje is geworden. Tot het uit is en ik mijn handdoek niet meer bij haar groepje mag leggen; de ergste uitsluiting die je kan overkomen. Dan maar weer bij de jongens. Schreeuwen, rennen, bommetje; eigenlijk net zo leuk. Het is 1987 en ik weet niet beter dan dat het voor altijd zo zal zijn.

Ik open mijn ogen weer en lees de reviews van gasten die hier in de zomer van 2025 zijn geweest. Bijna allemaal geven ze Marina Beach een 1. Vergane glorie, verloederd en sinds vorige week zelfs gesloten. Straks komen om de hoek ook nog kerncentrales te staan, dan is dit helemaal een plek om te mijden. Maar wat zou ik er nog graag eens heen fietsen net als toen. Handdoek onder de snelbinders, gezicht in de zon, mijn lijf tintelend van opwinding.

=

#18 Een Zeeuwse zanger in de supermarkt

Toen ik in de jaren 90 in Amsterdam studeerde, struikelde ik daar over de beroemdheden. Voetballers, schrijvers, sterren van de televisie: ik zag meer bekende dan onbekende Nederlanders. Na een tijd vielen ze me niet eens meer op. Behalve die keer dat ik in de Albert Heijn achter Drs. P stond, maar dan hebben we het wel over een icoon ook.

In Zeeland is het wat dat betreft maar behelpen. In Middelburg kun je hooguit Danny Vera tegenkomen of iemand van Bløf, en nu ook Hugo de Jonge. Daarmee heb je het wel gehad.

In de regio Goes is het niet anders. Vroeger zag ik Emma Heesters nog weleens fietsen over de ’s-Gravenpolderseweg, maar zij woont hier niet meer; ik hoop dat het goed met haar gaat. De gitarist van Racoon liep rond op de voetbalclub en de zanger van die band wandelde door Kloetinge met zijn hond. Hij was ook eens hulpouder bij de knutselmiddag op onze basisschool, omringd door moeders die plots heel driftig zaten te knippen en plakken. Zelfs mijn eigen vrouw raakte er niet over uitgepraat.

Totaal onverwachts had ik laatst weer beet. Onze karretjes raakten elkaar in de supermarkt in Goes-Zuid en ik herkende hem meteen. Zanger Alwin, de vertolker van het levenslied uit Hoedekenskerke. Alwin zelf moest wat langer nadenken, toen wist hij het weer: we hadden elkaar vorig jaar ontmoet bij het Muziekfeest op het Plein in Goes, waar hij de show had geopend voor een volgepakte Grote Markt.

Alwins hart maakte een sprongetje. ,,Nou, dat was wat, hè!” Enthousiast begon hij met het ophalen van de ene na de andere herinnering aan dat hoogtepunt uit zijn carrière. Hij had er toch maar mooi gestaan, tussen Frans Bauer, Jan Smit en André Hazes, en dat als zanger uit Zeeland. Hij was er nog altijd hartstikke trots op.

,,En nu staan we hier in de Dirk van den Broek”, zei Alwin, wat feitelijk klopte, en bovendien een mooie afronding was. Ik wenste hem veel succes met zijn komende optredens. Even later zag ik hem in het volgende gangpad staan, vriendelijk in gesprek met een moeder en haar zoon. Ongetwijfeld fans. Nog een gangpad verder hielden weer andere mensen hem aan. Pas toen zijn vrouw de boodschappen al lang en breed had afgerekend en ingepakt, haastte hij zich naar de uitgang. Wereldberoemd in Goes-Zuid, het is hem van harte gegund.

=

#19 Wat Zeeland kan leren van Google

Ik wilde opzoeken sinds wanneer de zoekmachine van Google bestaat, maar zoals dat gaat met Google zocht ik eerst duizend andere dingen op. Zo combineerde ik de zoektermen ‘Hugo de Jonge’ en ‘meer Zeeuwen’ en kwam ik erachter dat Hugo de Jonge in letterlijk elk interview zegt dat er meer Zeeuwen moeten komen. 

Hugo I is nog maar net geïnstalleerd als commissaris van de Koning in Zeeland en hij maakt zich nu al grote zorgen. Volgens zijn berekeningen zijn er in de toekomst, in 2050 om precies te zijn, te weinig mensen om de voorzieningen in de provincie in stand te houden. Daarom moeten er Zeeuwen bij.

Vroeger hadden we heel veel voorzieningen in Zeeland. In mijn jeugd was er zelfs nog een ziekenhuis in Sluiskil. Mijn favoriete voorziening in het dorp waar ik opgroeide, Hoek, was het postkantoor. Dat was geen hoekje in een boekenzaak, zoals tegenwoordig, maar een groot, imposant gebouw waar mannen in uniformen achter luikjes zaten. Het is lang geleden al wegbezuinigd, zoals er steeds meer is verdwenen. Je zou ook eens kunnen stoppen met marktwerking, dan hadden we nog voorzieningen genoeg.

Nu mogen we meedenken over wat er in 2050 nodig is om onze uithoek aantrekkelijk te houden voor de jeugd. Met kerncentrales, hoogspanningsmasten en een gevangenis voor zware criminelen gaan we geen volle zalen trekken. Ik heb twee pubers en je zult op zijn minst een discotheek, een IMAX-bioscoop, een voetbalstadion met eredivisieclub, een circustheater, een extra universiteit en een extra hogeschool moeten hebben. Als de jeugd hier op regelmatige basis naar Martin Garrix, de nieuwe Spider-Man, Hoek-Feyenoord en de Harry Potter-musical kan, en ook nog eens geneeskunde en fysiotherapie kan studeren, dan is er heel misschien een minieme kans dat de jonge Zeeuwen het interessant genoeg vinden om te blijven.

Het lijkt me een kansloze zaak en bovendien, waarom zouden we Zeeland volbouwen? De zoekmachine van Google bestaat sinds 1997. De startpagina ziet er bijna dertig jaar later nog net zo uit als toen: een wit scherm met een zoekbalk. Daar hebben ze nooit iets aan veranderd en dat is hun beste beslissing geweest. Zo is het ook met onze provincie. Zeeland is rust en ruimte, wat mij betreft voor altijd. Als je dat verandert, komt er straks helemaal niemand meer.

=

#20 Je zult maar een vrouw zijn in Goes

In Goes wil de gemeenteraad af van de vele fietsen op het stationsplein. Een meerderheid ziet er het liefst een ondergrondse fietsenstalling voor in de plaats komen. Ocharme, leren we het dan nooit?

Na de moord op de 17-jarige Lisa uit Abcoude bracht Nieuwsuur de buitenruimte in ons land in kaart. Die is veelal bedacht door mannen; het overgrote deel van de stedenbouwkundigen, architecten en projectontwikkelaars is man.

Vrouwen beleven de openbare ruimte heel anders dan mannen. In Amerika is daar onderzoek naar gedaan. Mannen staren in het donker recht voor zich uit. Vrouwen maken veel meer oogbewegingen en kijken veel vaker om zich heen. Ze scannen continu de omgeving op gevaar. Daarom zijn ze gebaat bij zoveel mogelijk zicht.

De gemeente Goes (vier wethouders, drie mannen) wil het plein voor het station aanpakken. De vele geparkeerde fietsen mogen blijven staan, maar bomen en ander groen moeten deze straks aan het zicht onttrekken. Dat is om die reden al geen fantastisch plan. In de artist’s impression ziet het er geweldig uit, maar daarop ziet alles er altijd geweldig uit. Ik zie nooit eens een artist’s impression van een gure maandagavond in december.

De Goese gemeenteraad (achttien mannen, zeven vrouwen) doet daar nog een schepje bovenop. De meeste raadsleden vinden al die fietsen niet mooi en hebben het nu voor elkaar gekregen dat er een extra onderzoek komt. Ze willen weten wat het kost om alsnog een verdiepte dan wel ondergrondse parkeervoorziening voor fietsen aan te leggen. Precies de varianten die het laagst scoren op sociale veiligheid.

Niet mooi, ammehoela. Weet je wat niet mooi is? Dat jonge vrouwen op het station in Goes nu al zo onopvallend mogelijk proberen te zijn, ook in kleding, om te voorkomen dat ze worden lastiggevallen. Dat ze, als ze eenmaal van het perron af zijn, door een ondergrondse doorgang naar de uitgang moeten en dan straks ook nog eens hun fiets mogen ophalen in een kelder.

Ik stel voor dat we dat extra onderzoek laten doen door Iris, Roos, Noor, Sophie en alle andere jonge vrouwen die ’s avonds vaak over het stationsplein gaan. Komt er dan toch een kelder uit, dan kunnen de mannen van de raad daar mooi in vergaderen. Hebben ze ook geen last van al die fietsen op het plein.

=

#21 Lummelen is nuttiger dan je denkt

De Raad voor Volksgezondheid & Samenleving (RVS) kwam deze week met een opvallend advies: we moeten meer lummelen met z’n allen. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Niets is zo moeilijk als niets doen.

Er zijn maar heel weinig mensen die de kunst van het lummelen beheersen. Topsporters kunnen het. ,,Ik heb twee weken lang keihard getaperd”, zei Harrie Lavreysen nadat hij vorige zomer in Parijs zijn zoveelste gouden olympische medaille op de wielerbaan had gepakt. Taperen komt neer op gas terugnemen en vooral veel lummelen, lanterfanten, niksen. Eerst keihard trainen, dan keihard uitrusten en vervolgens keihard knallen.

Twee weken lummelen, het is een prestatie van formaat; hij had er een extra gouden plak voor moeten krijgen. Twee weken aan een stuk een beetje rommelen in huis en hangen op de bank en in bed. Wat om je heen kijken, een paar zaken op een rijtje zetten, eventjes wegdromen, de kussens verleggen. Momenten waarop je niets moet van jezelf. Daar zit ’m de moeilijkheid, want we moeten juist zoveel van onszelf. We willen altijd nuttig zijn. Even snel dit, even snel dat, dan is het uit ons hoofd. Intussen geven we dat hoofd geen rust.

Volgens de RVS leven we in een ‘hypernerveuze samenleving’ waarin alles steeds beter en sneller moet. Dit leidt bij jongeren tot prestatiedruk en bij werkenden tot uitval. Ik kwam in een burn-out terecht omdat de balans tussen inspanning en ontspanning volledig was doorgeslagen. Alles wat ik deed, moest resultaat hebben, op het werk en ook thuis.

De wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg zijn inmiddels langer dan de erelijst van Harrie Lavreysen. We krijgen nu het advies om de samenleving tot rust te brengen en ook onszelf. Dat kan door wat langzamer te gaan leven; een mail hoeft niet nog hetzelfde uur te worden beantwoord, een pakje niet meteen de volgende dag bezorgd. Durf een beetje meer als Harrie te zijn en vertraag af en toe bewust. Leg die to-dolijst en die smartphone weg en lummel erop los. Op het eerste gezicht levert dat niets concreets op. Op de lange termijn wel: een goede mentale gezondheid.

Maar daar heb ik helemaal geen tijd voor, denkt u misschien als u dit leest. Zo dacht ik vroeger ook, en dat was precies het probleem.

=

#22 Mijn blauwe maandag als demonstrant

Men demonstreert wat af de laatste tijd. Ik ben ook een blauwe maandag demonstrant geweest. Of eigenlijk was het een zaterdag, ergens begin jaren 90. Ik zat op de middelbare school in Terneuzen en ik was nogal links, zoals het hoort als je jong bent.

Met mijn beste vriend, Eric uit Axel, had ik me opgegeven voor een demonstratie. We gingen demonstreren tegen de neonazi’s in Duitsland. Op vrijdagavond na school reisden we naar Gent, waar we konden overnachten bij een Vlaamse medestrijder. Deze Danny lag nog languit naar veldrijden te kijken op VTM, de commerciële zender. Hij sprong geschrokken op toen we binnenkwamen en zette snel de televisie uit. Erg jammer vonden wij dat, als liefhebbers van de koers.

Totaal onwetend stapten we zaterdagochtend in de bus die ons naar Düsseldorf zou brengen. We waren nog niet weg of er startte al een film over de wandaden van de fascisten en de kapitalisten, hoewel men geloof ik niet echt een onderscheid maakte tussen die twee. De reis bleek een initiatief te zijn van de PVDA. De Vlaamse tak van de Nederlandse PvdA, die van Wim Kok, dachten wij. Dat was verkeerd gedacht: het betrof hier een communistische partij, eentje met een voorliefde voor documentaires op de vroege morgen. Het werd een lange reis.

In Düsseldorf zag het zwart van de mensen. Letterlijk, want de dresscode was zwart. Wij vielen nogal uit de toon, ook al omdat we geen capuchon droegen, maar we voegden ons dapper bij de betoging en riepen alle leuzen mee. We keerden ons tegen het fascisme en tegen de extreemrechtse Vlaamse beweging die toen net in opkomst was. ,,Nie wieder Faschismus! Stop Vlaams Blok!” Wat dat laatste voor zin had in een Duitse stad, weet ik niet meer.

Tegen de tijd dat we bij het eindpunt kwamen, deden mijn voeten zeer, had ik een levenslange aversie tegen megafoons ontwikkeld en begon het ook nog eens te regenen. Naast me zag ik Eric al net zo mistroostig kijken. Toen we in de verte een kebabtent zagen, namen we zonder te spreken hetzelfde besluit. We lieten de demonstratie voor wat die was en aten de grootste kebab uit de geschiedenis van de mensheid. Daar kwam het besef dat mijn talent meer bij eten lag dan bij demonstreren.

=

#23 Gelukkig, het is eindelijk weer herfst

Ik zat op een bankje in Goes-Zuid naar de herten te kijken toen het begon te regenen. Het regende bladeren uit de bomen. Een windvlaag blies alles wat niet vast genoeg zat onverbiddelijk los. Dwarrelend daalden de blaadjes op me neer.

De herfst neemt het over, er is geen ontkomen meer aan. Over anderhalve week gaat de wintertijd in. De dieren hebben genoeg gezien. De ganzen trekken naar het zuiden, de egels gaan in winterslaap. Die bij ons in de tuin is al vertrokken. ,,Tot in maart”, zei hij enigszins stekelig. ,,Mij niet bellen.”

Nogal wat mensen willen rond deze tijd ook in winterslaap. Het najaar belaagt het hart. De dagen worden nu echt korter en donkerder, de kou komt eraan. Niet iets om naar uit te kijken. Ik was ook nooit een fan van het najaar; ik kon altijd heel veel redenen verzinnen om het te haten. Nu ik mijn diploma positief denken heb gehaald, zie ik ook genoeg redenen om van de herfst te houden.

De natuur is mooi van kleur, alsof Vincent van Gogh haar heeft geschilderd. Het oktoberlicht dat door de grijze wolken heen breekt, is al net zo mooi. (Even doorbijten deze week.) Het is rustiger op straat. Er staan geen vakantiefiles meer. Het strand is weer van ons. Zwetende oksels en muggenbeten zijn probleempjes van het verleden. Een warme douche voelt beter na een dag in de kou. Er komt stamppot op tafel en snert. Overal liggen ineens pepernoten om van te snoepen. Het Sinterklaasjournaal begint. De stembussen voor de Top 2000 gaan open.

Binnen is het behaaglijk warm. De verzamelde gedichten van J.C. Bloem mogen weer uit de kast. Net als de dikke jassen en de gebreide truien; iedereen loopt er straks weer als een michelinmannetje bij. De kinderen vinden het buiten te koud en kruipen liever onder een dekentje op de bank. ’s Avonds is er alle tijd voor spelletjes en films, gezellig dicht bij elkaar. ’s Nachts is het zo fijn slapen als de regen zachtjes tegen de ruiten tikt. Een uurtje extra slapen zelfs.

Alleen die bladblazers, kunnen we daar niet eens mee ophouden? Laat de blaadjes lekker dwarrelen. De natuur trekt zich er toch niets van aan; over een tijd groeien er gewoon weer nieuwe aan de bomen. Dat is het allermooist aan het najaar: de zekerheid dat er ook weer een voorjaar komt.

=

#24 Het brein van Brankele doet ’t weer

Televisiekijkers kennen Brankele Frank sinds afgelopen zaterdagavond als de winnaar van De slimste mens. Ik ken haar al wat langer en het is niet minder dan een wonder dat ze heeft meegedaan aan deze kennisquiz, laat staan dat ze heeft gewonnen.

Nog niet zo heel lang geleden zat Brankele Frank, neurobioloog van opleiding, als een zielig hoopje mens op de bank. Ze had zo hard gewerkt dat ze volledig was opgebrand. Wat ze ook probeerde om beter te worden, het lukte haar lange tijd niet. Ze eindigde in een revalidatiecentrum. Toen ze een boek wilde schrijven over haar zoektocht naar de oplossing, belandde ze in een tweede burn-out.

Dat boek is er toch gekomen. Het heet Over de kop en is inmiddels toe aan de zevende druk. Het is zo’n groot succes omdat het in een behoefte voorziet. Iedereen die uitgeput is geraakt door stress, zoekt wanhopig naar houvast; wat is er in hemelsnaam met me aan de hand? Ik las het in februari van dit jaar, op het donkerste dieptepunt van mijn burn-out. Het was het begin van mijn herstel.

Over de kop wees mij en al die andere lezers de weg naar de verklaring. Die bleek te liggen in de hersenen, de duizelingwekkende verzameling van zo’n 86 miljard zenuwcellen die elektrische en chemische signalen uitwisselen, verpakt in kwabben en beschermd door vliezen en kamers gevuld met vocht. Mensen die opgebrand zijn, hebben te lang te veel gevraagd van hun hersenen. Door stress zijn verbindingen onherstelbaar beschadigd geraakt. Zelfs de vorm van de hersenen is veranderd.

Dat klinkt heftig, maar er is een uitweg. De hersenen, en dit is het meest opzienbarende eraan, hebben namelijk het vermogen zich aan te passen. Ze kunnen nieuwe verbindingen aanmaken tussen de verschillende delen, waardoor die weer beter gaan samenwerken. Iemand kan na een beroerte toch weer leren praten. Iemand kan na een burn-out toch weer leren denken.

Zo is het ook met Brankele Frank gegaan. Dat uitgerekend zij de slimste mens werd, was veel meer dan een overwinning van een kandidaat die toevallig veel weet. Bovenal was het de overwinning van het brein, dat ingenieuze systeem in het hoofd dat zelfs als je het langdurig mishandelt, toch weer een manier vindt om verder te kunnen. Wat een wonder.

=

#25 De enige buitenlander op de boot

Een hele tijd geleden maakte ik een grote reis door Afrika. Daar leerde ik hoe het is om anders te zijn. Ik ging de toeristische gebieden uit de weg en reisde met het openbaar vervoer, waardoor ik vaak de enige buitenlander was. Ik viel dus nogal op.

Op een zondag in november stapte ik op de veerboot over het Tanameer, het grootste meer van Ethiopië. De andere passagiers staarden me aan alsof ik van de maan kwam. ,,Faranji”, fluisterden ze tegen elkaar; het plaatselijke woord voor buitenlander. Ik ging zitten op het bovendek en pakte de zonnebrand. Grote opwinding: de witte man smeerde iets op zijn gezicht waarvan hij nóg witter werd!

De reis naar de overkant zou anderhalve dag duren met tussenstops op een eiland en in dorpjes langs het meer. Het had een lange, ongemakkelijke zit kunnen worden. Dat werd het niet. Zodra de Ethiopiërs van de schrik bekomen waren, schoten ze in actie.

De kapitein kwam hoogstpersoonlijk mijn bagage ophalen om die veilig te bewaren in zijn stuurhut. Een jongen, Yikas, stelde me voor aan zijn vrienden en vroeg of ik met hen over voetbal wilde praten, over Van Nistelrooij en Van Persie. Een monnik (Ethiopië is een zeer gelovig land) was benieuwd naar mijn reisgids, die hij urenlang bestudeerde. De kleine kinderen kwamen de vreemde van dichtbij bekijken en gaven allemaal netjes een hand.

Yikas bleek op het eiland te wonen. Ik moest met hem mee om zijn moeder te ontmoeten. In hun huisje zat ik op één van de twee stoelen. Zijn moeder maakte thee voor me. Bij elke volgende stop nam Belay, een leraar, me mee de dorpjes in om samen brood en geitenvlees te eten. Nergens mocht ik van hem betalen, hoewel ik genoeg op zak had om de hele geit te kunnen kopen. Terug aan boord ging ik verder met kaarten, want ik was intussen opgenomen in de kaartclub van Fexadu en zijn maten. We speelden Ethiopisch poker. De uren vlogen voorbij.

Het laatste uur, bijna iedereen was al van boord, kwam de kapitein me vragen of ik een goede reis had gehad. Hij zag maar weinig toeristen op zijn boot. Dat vond hij jammer, want hij was trots op zijn land. Ik zei hem dat de mensen van zijn land goed voor me hadden gezorgd. Dat compliment wuifde hij weg. Ik was een vreemdeling, wat hadden ze anders moeten doen?

=

#26 Wie kan een nieuw huis nog betalen?

Er is een schreeuwend tekort aan woningen, het hele land zucht eronder, maar ik heb goed nieuws voor Rob Jetten: bij ons op het dorp komen er veertien bij. De verkoop is inmiddels gestart. Het goedkoopste appartement kost net geen half miljoen.

Dat was even schrikken. De makelaar had het ook graag anders gezien, zei hij in deze krant. Hij zou willen dat het voor de helft kon, maar ja, de bouwmaterialen zijn zo duur geworden, dus ja. Jammer maar helaas voor de starters in Kloetinge. De laagste prijs is 495.000 euro, alsof het een koopje is, zoals een netje sinaasappelen in de supermarkt voor 1,95 euro. Pronkstuk van het complex is een penthouse van 830.000 euro, met uitzicht op de snackbar van het dorp.

Steeds vaker heb ik het idee dat er een soort parallelle wereld is waarin iedereen zwemt in het geld, een wereld waar ze mij buiten houden. Nieuwe huizen gaan van de hand voor prijzen waarvoor je niet één maar twee keer de loterij moet winnen. Ook voor een nieuwe auto of televisie betaal je tegenwoordig bedragen die je nooit voor mogelijk hield.

Nieuwbouw is voor heel veel mensen onbetaalbaar geworden. Voor een deel is dat te verklaren. Bouwen is inderdaad duur en er zijn nogal wat energie-eisen en milieuregels waar nieuwe huizen aan moeten voldoen. Wat ook meespeelt, is dat projectontwikkelaars veel diepere zakken hebben dan woningcorporaties om grond te kopen van de gemeente. En we hebben het hier niet over liefdadigheidsinstellingen, dus er moet aan verdiend worden.

De nieuwe appartementen in ons dorp komen op de plaats van de oude Kloetingseschool, waar ik jarenlang als ouder op het schoolplein heb gestaan. Omwonenden hadden een plan gemaakt om het gebouw te behouden en daar woningen in aan te brengen. Die zouden twee ton per stuk kosten. De gemeente wilde er niet aan.

Ironisch genoeg grenst het nieuwe complex straks aan een straat waar destijds aardig wat gescheiden moeders woonden. Vrouwen die bij hun man weg waren en halsoverkop hun hele hebben en houden hadden moeten achterlaten, konden hier tijdelijk terecht in een huurhuis. Een uitkomst, ook voor hun kinderen, maar juist van deze huizen zijn er maar weinig. Je hebt er meer aan dan aan een penthouse.

=

#27 Laat nooit de wasmand in de kamer staan

Ik had de wasmand in de kamer laten staan. Mijn vrouw kwam uit haar werk met een collega en ik zou de droge was opruimen. Dat was ik helaas vergeten, zoals je weleens iets vergeet. Nu zag het bezoek zomaar onze wasmand en kennelijk is dat best erg.

Ik zag het probleem niet zo. Bij ons staan altijd wel een paar manden met wasgoed in de kamer; die zijn een integraal onderdeel geworden van het huis. We hebben er inmiddels acht, heb ik net geteld, en tegen het einde van het weekend zitten ze alle acht vol. Een deel van de kleren is dan gewassen, een deel nog niet. Dat levert elke maandagochtend weer onbetaalbaar vermaak op van onze beide pubers die in alle haast op zoek zijn naar sokken. ,,Zijn deze al schoon? Hoezo, ruik er even aan?” Of dat ene shirt dat ze zondagavond laat op tafel hebben gelegd met het verzoek of het nog snel eventjes gewassen en gedroogd kan worden. Natuurlijk, zijn er verder nog wensen?

De pubers hebben veel kleren en wisselen gedurende de dag soms ook nog eens van outfit. Mijn vrouw krijgt het allemaal niet meer gewassen, gedroogd en gestreken. Daarom help ik een handje mee. Ik doe de handdoeken. Meer mag ik niet, nadat ik vorig jaar de complete nieuwe wintercollectie van de kinderen na de eerste keer wassen in de droger had gedaan. Alles kwam er twee maten kleiner uit. Mijn vrouw mopperde niet eens, ze zuchtte alleen diep. Dan weet je hoe laat het is.

Maar goed, de wasmand was in de kamer blijven staan. Toen ging bij mij een lichtje branden. Ik keek foto’s terug van etentjes en feestjes bij ons thuis en verrek, nooit stond daar ook maar één wasmand op. Sindsdien verdenk ik mijn vrouw er dus van dat ze de wasmand ergens anders neerzet voordat er visite komt. Dat ze ook alle versleten kussens van de bank haalt, de rondslingerende jassen en tassen opruimt en de stapels kranten en papieren in de blauwe bak kiepert. Die zie ik namelijk ook op geen enkele foto.

Het gaat nog verder, want voor zover ik me kan herinneren, geloof ik niet dat ik ooit een wasmand heb gezien als wij bij vriendinnen van haar op bezoek waren, laat staan enige andere vorm van rommel. Zou dat een universele afspraak tussen vrouwen zijn? Ik ga er de komende tijd eens goed op letten. Nu eerst mijn sokken zoeken.

=

#28 Zeeland is inderdaad een klere-eind weg

We gaan naar het WK, hoera. Toch zal iets heel anders me bijblijven van de succesweek van Oranje: onze bondscoach Ronald Koeman vindt Zeeland te ver weg. ,,Wat een klere-eind rijden”, in zijn eigen woorden.

Koeman zei het op een persconferentie van het Nederlands elftal, waar hij vragen kreeg over zijn schnabbel in Goes. Tijdens een uurtje babbelen voor ondernemers had hij zich laten ontvallen er na het WK weleens mee te kunnen stoppen. ,,Dat had binnen de Zeelandhallen moeten blijven”, zei hij een paar dagen later, niet wetend dat Zeeland een dorp is waar niets geheim blijft. Dorpsomroeper van dienst was collega Michiel, die erbij was en het in de krant zette. Een mooie primeur.

De bondscoach had er vanuit zijn woonplaats Laren in het Gooi bijna drie uur over gedaan om in Goes te komen. Die had natuurlijk dik in de file gestaan. Logisch dat je dan wat narrig bent en het een roteind vindt. Toch is het maar net hoe je het bekijkt. Ik heb het uitgezocht, en van Laren naar Goes is het precies even ver als van Goes naar Laren. Maar ik ken geen Zeeuw die daarover klaagt. We weten niet beter.

Bovendien, de wereld is groter dan de Randstad. Zeeland is de poort naar het zuiden. Naar Antwerpen is het drie kwartier rijden vanuit Goes, naar Gent een uur en naar Brussel, de hoofdstad van Europa, anderhalf. Lille ligt op nog geen twee uur en de wereldstad Parijs op vier, vergelijkbaar met een reis naar Groningen. Vanuit Zeeuws-Vlaanderen sta je nog veel eerder in het buitenland. Hoezo afgelegen?

Het zijn de mensen die vanuit de Randstad hierheen komen die altijd mopperen dat ze zo lang onderweg zijn geweest. Ze maken ook allemaal dezelfde grap over hun paspoort. Ja, dat hadden ze beter meegenomen, haha. De mariniers zijn zelfs nooit gekomen, die bliezen hun emigratie naar Vlissingen op voorhand af. De gevangenen zitten er straks wel aan vast.

Het is juist de charme van Zeeland dat het zo ver weg is van de rest van het land. Je moet er wat voor overhebben om van de rust en de ruimte te kunnen genieten. We gaan het onze bezoekers nog een heel stuk moeilijker maken, want de komende jaren sluiten we alle tunnels voor onderhoud en reparatie. Zelfs het spoor gaat op slot. Dan zien we Ronald Koeman hier echt nooit meer.

=

#29 Er was al een Moerdijk in Zeeland

De opheffing van Moerdijk zorgt ook voor onrust in Zeeland. De provincie zegt dat er geen dorpen gaan verdwijnen om plaats te maken voor industrie en energie. Maar we hebben hier al een Moerdijk gehad.

In mijn jeugd in Hoek kon je elke winter schaatsen. Niet zomaar een paar dagen, nee, weken aan een stuk. Ik was nog een kind en bleef veilig op de ijsbaan op de Voorste Kreek, gezellig met koek en zopie en muziek. Geoefende schaatsers gingen verder en reden helemaal naar het einde, diep de polder in, waar ze de oversteek konden maken naar de Achterste Kreek en naar de mythische plek die daar lag: Boerengat.

Ik dacht dat het heel ver weg was, voorbij de horizon, zoals Timboektoe en Verweggistan waarover ik altijd las in Donald Duck. En dat er alleen boeren woonden, in een gat dat ’s winters bevroor zodat je erheen kon schaatsen. Anderen vonden het vooral een grappige naam; het plaatsnaambord werd net zo vaak gestolen als dat van Boerenhol.

Boerengat was een buurtschap van vier- tot vijfhonderd inwoners, verdeeld over negentig huisjes. Het zat tussen een gehucht en een klein dorp in. Jan Jansen schreef er een mooi boek over, Terug naar Boerengat. Een hechte gemeenschap, die uiteenviel toen Dow er neerstreek en Boerengat ineens grensde aan een enorm industrieterrein. Dow zorgde voor werk, maar ook voor overlast. Het ongemak was wederzijds: de Amerikanen vonden het maar niks dat zo veel mensen zo dicht bij de fabriek woonden. Boerengat moest weg.

Daar deden ze destijds in Zeeuws-Vlaanderen niet zo moeilijk over. In de jaren 60 was Sluiskil-Oost al tegen de vlakte gegaan, een complete woonwijk. Meer dan honderd huizen maakten plaats voor een breder kanaal en meer industrie. In Boerengat ging het niet zo rigoureus, eerder geniepig. Dow begon huisjes op te kopen om ze daarna meteen te slopen. De bebouwing leek met het jaar meer op een gebit met lukraak uitgetrokken tanden en kiezen. In 1991 viel officieel het doek.

Schaatsen naar Boerengat kan al een hele tijd niet meer. Er ligt nooit meer ijs op de kreek. Fietsen kan nog wel, over de smalle weg die de naam van de buurtschap is blijven dragen. De rest is van de kaart geveegd. Boerengat, het Zeeuwse Moerdijk, was zijn tijd helaas ver vooruit.

=

#30 Terneuzen is zo slecht nog niet

Ik kwam een oude liefde tegen. Ik had haar een tijd niet gezien, wel veel over haar gehoord. Ze zag er niet zo goed uit. Zoals ik van haar gewend was, luchtte ze gelijk haar hart.

,,Ik ben moe”, zei Terneuzen. ,,Vlak voor Pasen dacht ik nog dat het beter zou worden. Ik was op mijn mooist, al mijn mensen raakten op slag weer verliefd op mij. Ze stopten eindelijk met zeuren over de lege winkels in de Noordstraat. The Passion was een nieuw begin. Dacht ik. Het ging mis toen een vol plein begon te schreeuwen om de vrijlating van Barabbas. Dat was vragen om problemen.” Ik knikte. Die fout was eerder gemaakt.

,,Sindsdien is het bergafwaarts gegaan”, ging ze verder. ,,Nu zit ik in een bestuurscrisis en ben ik de slechtste gemeente van Nederland. En dan willen er eens mensen komen, een hele groep zelfs, jagen we ze met pek en veren de stad uit. Nog voordat ze er zijn! Ik zeg je eerlijk, ik zit elke dag aan de kade te wachten tot De Vliegende Hollander aanmeert om me mee te nemen, maar die vervloekte Van der Decken wil maar niet terugkeren. Niemand wil hier nog zijn. Zelfs de burgemeester niet.”

Ze barstte in snikken uit. Ik sloeg een arm om haar schouder. ,,Wij kennen elkaar al heel lang”, zei ik. ,,Ik heb mooie tijden met je beleefd. Mijn schooltijd op het PH, plaatjes luisteren bij Sonora, tot diep in de nacht op stap in de Snugly. Je bent misschien niet de mooiste…” Ze reageerde niet; dit hoorde ze kennelijk vaker. ,,Maar zie ook eens wat je wel bent. De motor van de Zeeuwse economie. Je hebt ooit een rijke Amerikaan aan de haak geslagen, daar is de rest van Zeeland nog steeds stikjaloers op. Toen je laatst je nieuwe sluis opende, kwamen daar twee koningen op af. Zo belangrijk ben je.”

Ik zag haar aarzelen. Geen tijd voor bescheidenheid nu. ,,Heus, je bent unieker dan je denkt. De skihal, het stadhuis in de vorm van een schip, Oud Terneuzen, de Scheldeprijs, Maikel Harte, Porgy & Bess, de twee neuzen, nergens anders vind je ze. Nooit gedoe met files op de snelweg of uitvallende treinen. Wat een luxe. Alle Terneuzenaren die ik ken, zijn verschrikkelijk graag bij je. Ze blijven allemaal, want ze kunnen niet zonder je. Kom op stoere havenstad, droog je tranen en recht je rug. Er is licht aan het einde van de tunnel.”

=

#31 De grootste winnaar van het weekend

Mijn weekend begon goed. Ik kreeg sokken van de sint en mijn zoon werd voetbalkampioen met zijn nieuwe team. Toch had ik een steen in mijn maag. De zondag kon alles nog verpesten.

Dat had te maken met mijn dochter. Zij interesseerde zich nooit zo voor sport, totdat ze een paar jaar geleden als een blok viel voor een knappe autocoureur. Hij heette Lando Norris en hij was de rijzende ster in de Formule 1. Daar keek ik af en toe naar op tv, vooral om te controleren of Max Verstappen wel zou winnen. Ineens zat er op zondagmiddag iemand naast me op de bank.

Sindsdien beleven we de Formule 1 samen. We praten over racestrategieën, bandenmanagement en de kans op regen in São Paulo. Ze stuurt me berichtjes als er nieuws is over de moeder van Lando, de baby van Max en Kelly of de hond van Charles Leclerc. Deze zomer zijn we met z’n tweetjes naar de Grand Prix van Zandvoort geweest. Het waren drie fantastische dagen, zo dicht bij elkaar.

Nu ze twaalf is, bijna dertien al, kan ze steeds meer zonder haar vader. Ze heeft haar eigen leven. Ze fietst allang alleen naar school en naar de stad, leest haar eigen boeken en maakt vrienden met wie ze haar tijd doorbrengt. Dat is goed, het is zoals het hoort te gaan, maar dat wil niet zeggen dat het leuk is. Loslaten vind ik moeilijk en voelt best vaak als een gemis, omdat het ooit anders is geweest. Het liefst hield ik haar voor altijd vast.

Daarom zag ik zo op tegen de zondag. Ik hoopte dat Max Verstappen wereldkampioen zou worden in de laatste race van het seizoen. Ik wist ook dat mijn dochter dan diepbedroefd zou zijn. Misschien zou ze uit teleurstelling wel de brui geven aan die hele Formule 1 en haar zondagen anders invullen. Dat vooruitzicht was niet te verdragen. Er zat maar één ding op: ik heb, niet verder vertellen, heel hard geduimd voor Lando Norris.

Terwijl haar held na afloop in de armen van zijn moeder viel, fladderde mijn dochter van blijdschap door de kamer. Daarna zocht ze op wanneer het nieuwe seizoen begint. Vanaf 8 maart 2026 zitten we weer 24 zondagen lang samen op de bank. Zo werd niet Max Verstappen en zelfs niet Lando Norris, maar een melancholische vader uit Kloetinge onverwachts de grootste winnaar van het weekend.

=

#32 HSV Hoek zat toch nog in mijn hart

Ik sta nogal eens langs de lijn op het voetbalveld. Als mensen mij vragen of ik zelf ook heb gevoetbald, antwoord ik altijd dat ik uit de jeugdopleiding van Hoek kom. Dan zie ik ze denken: Hoek, poeh, dat is niet mis.

Ik zeg er nooit bij dat HSV Hoek in de jaren 80 maar een simpele dorpsclub was. Ook niet dat ik er geen bal van kon. Ik heb precies drie keer gescoord, waarvan twee keer tegen Koewacht, uit puntgave voorzetten van Erik Bakker vanaf rechts die zelfs voor iemand met twee linkerbenen niet te missen waren. In de tweede helft viel ik uit met een bloedneus, om het nog heroïscher te maken.

Liever schreef ik voor De Hoekschop, het clubblad waar ik in de redactie zat. Elk nummer zetten we met de hand in elkaar bij hoofdredacteur Wout Ribbens thuis. De muren hingen van boven tot onder vol met posters van Frank Zappa. Ik heb later nooit meer iemand zo geestdriftig zien typen, knippen en plakken als Wout. Hij maakte er hele kunstwerken van.

Mijn eerste verhaal ging over de reünie van ‘het laatste Hoekse elftal’, het eerste elftal waar mijn vader achttien jaar in had gespeeld met louter jongens van het dorp. Het werd een wat weemoedig verhaal. HSV Hoek was toen al aan het veranderen. Er kwamen beroemde trainers zoals Kees Kist, spelers uit heel Zeeland en zelfs uit het buitenland. De club werd groter dan het dorp.

Al snel volgde ik Hoek alleen nog via smeuïge verhalen in de krant. Altijd was er wel iets. Geregeld vloog er een trainer uit. Eens stonden er tien Belgen in het veld. Meestal was iedereen chagrijnig na een verloren seizoen. Dat is inmiddels anders. Hoek is op dit moment de beste club van het hele Nederlandse amateurvoetbal en speelt in de beker tegen profclubs, zoals nu tegen Telstar.

Toen Hoek in mei kampioen kon worden in Kloetinge, heb ik een kaartje gekocht. Enkel naast de familie van Wout den Engelsman, de stoere Hoek-verdediger uit Sint-Annaland, was nog plek. Hartstikke lieve mensen, die mijn dochter vooraan lieten staan zodat ze het beter kon zien. Aan de overkant wapperde de vlag met het wapen van Hoek en daarna ging het vanzelf. Bij elke goal sprong ik een stukje hoger. Zo’n club zit toch in je hart, zelfs na al die jaren nog. Heya Denoek.

=

#33 Was er ooit iets mooiers dan muziek?

Misschien wel het mooist aan het leven vind ik de aanwezigheid van muziek. Een groot cadeau dat we met zijn allen hebben gekregen; het was er en het is er. Muziek hoort bij ons bestaan als de sterren en de maan.

Ik ken niemand die niet van muziek houdt. Zelfs de grootste mopperpot kan er stiekem van genieten. Ik heb ook nog nooit iemand horen zeggen dat we muziek moeten verbieden. ‘Alle muziek het land uit!’, stel je voor. Hooguit heb je er eens last van, als de buren de radio te hard hebben staan, of de wind verkeerd staat bij het feest in de buurt.

Muziek is ook niet meer van de een dan van de ander. Iemand die heel goed kan pianospelen, heeft er net zoveel recht op als iemand die vals staat te zingen onder de douche. Muziek is van iedereen. Van de armen en de rijken, van mannen en vrouwen, van kinderen en ouderen, van gelovigen en ongelovigen, van links en rechts.

Muziek nestelt zich in je hoofd en in je hart, roept herinneringen op en begeleidt je door de tijd, als de soundtrack van je leven. Liedjes kunnen van een slechte dag een goede maken en troosten je als niets of niemand anders dat kan. Dat is wat muziek heeft: de uitzonderlijke gave om alles te kunnen, in elke situatie, bij ieder mens.

Muziek is er in heel veel soorten en maten en je kunt van al die soorten houden, dat is ook zo mooi. Ik luister naar moderne pianomuziek, maar ook naar postpunk, obscure garagerock, Britpop, reggae, hits uit de jaren 80, het songfestival en Nederlandstalige meezingers. In mijn playlist staan Ludovico Einaudi, Joy Division, Dead Moon, Oasis, Bob Marley, George Michael, Johnny Logan en Yves Berendse gebroederlijk bijeen. The Beatles hebben een eigen lijst; te veel om uit te kiezen.

De enige muzieksoort die ik nooit begreep, soul, is tijdens mijn burn-out tot me gekomen. Het is bekend dat nogal wat mensen de liefde het liefst bedrijven op de gladde klanken van Marvin Gaye. Ik zit er graag mee in bad. Zo zacht als het schuim is voor de huid, zo zalvend is soul voor de ziel. Let’s get it on.

Hoe het na dit leven zit, weet ik niet. Ik hoop dat er een hemel is. Als die er is, dan klinkt er muziek.

=

#34 Een harde knal en Mo sloeg op de vlucht

Een jaar geleden was hij ineens verdwenen. Mo, onze buurtkat. Hij schrok van vuurwerk, rende weg en begon aan een ongelooflijk avontuur. Maar dat wisten we toen nog niet.

Mo lag graag onder de boom naast de brandgang. Mijn kinderen aaiden hem elke ochtend als ze naar school gingen. Hij was van de buurvrouw van twee huizen verder, maar hij voelde ook een beetje van ons. Zodra het donker was, zat hij vaak op onze schutting of op de schuur, loerend op onze eigen kat die hij dan tot aan het kattenluikje achtervolgde. Overdag maakte hij de andere katten bang. Hij was de baas van de straat.

Mo had één zwakke plek: hij was als de dood voor vuurwerk. In de dagen voor oud en nieuw werd dat bijna echt zijn dood. Hij schrok van een harde knal, sloeg in paniek op de vlucht en moet toen zijn verdwaald. De buurvrouw zocht het hele dorp en de halve stad af. Ze hing flyers met zijn foto aan de lantaarnpalen. Telkens als wij een rossige kater zagen, hoopten we tegen beter weten in dat hij het zou zijn. Zijn plekje onder de boom bleef leeg. We dachten dat we hem nooit meer zouden zien.

Ruim drie weken later, het liep al tegen eind januari, belde de dierenambulance. Mo was gezien op het Zep-terrein in Middelburg. Hij zat bij de ingang van de KFC, waar het natuurlijk hartstikke lekker rook naar stukjes kip. Ik kon het niet geloven. Dat is 24 kilometer lopen vanuit onze wijk in Kloetinge. Een mens doet daar vijf uur over. En wie weet welke route die oude strijder heeft moeten nemen en wat er onderweg op zijn pad is gekomen.

Mo was uitgehongerd toen hij thuiskwam. Wekenlang at hij alleen maar. Daarna mocht hij voorzichtig weer de straat op. Hij schrok van elk geluid. Het heeft bijna een jaar geduurd voordat hij een beetje de oude werd. Laatst zag ik hem de kat van de nieuwe overburen op zijn manier welkom heten, en ging hij voor het eerst weer achter onze kat aan. Gek genoeg werd ik daar blij van.

Deze jaarwisseling zit Mo veilig achter slot en grendel. Pas ver in het nieuwe jaar mag hij naar buiten en krijgt hij op zijn veertiende toch nog wat hem is gegund: een vuurwerkvrij leven.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.