#1 Denk hier eens aan als je weer last hebt van de toeristen
Leven in Zeeland in de zomer is leven met de toeristen. Daar wen je aan, maar ook weer niet. Ze lopen je soms zo voor de voeten dat je snakt naar september.
Ik stond deze zomer vaker dan me lief was voor de Schroebrug, wachtend totdat de zeilbootjes voorbij waren. Ik belandde in een vakantiefile op de A58. Ik moest in de remmen in de Vlaketunnel, omdat de Duitser voor me dat ook opeens deed. Hetzelfde op de fiets, voor een Belgisch gezin dat uit het niets de straat overstak. Ik verbeet me achter iemand die met handen en voeten iets voor elkaar wilde krijgen in een winkel. Op de parking bij het strand was geen plekje meer te vinden. Op het terras werd ik aangesproken in het Engels, toerist of geen toerist.
Toch is het goed dat ze er zijn. Niet omdat ze hun geld hier uitgeven en Zeeland anders een dorre boel zou zijn; we gaan eens ophouden met alles steeds afrekenen op wat het oplevert. Het is goed dat ze hier zijn omdat zij zien wat wij soms niet meer zien.
Sinds een tijd ben ik daarom lid van de Facebook-groep Zeeland-Fans, met 26.610 anderen. De voertaal is Duits en iedereen ziet Zeeland als het achtste wereldwonder. ‘Eindelijk ben ik er...’, schrijft Stephan over de vuurtoren van Haamstede, alsof hij voor de Piramide van Cheops staat. Zijn leven is compleet. ‘Zonder woorden’, is het enige wat Silvia nog kan uitbrengen bij een foto van de zon die ondergaat boven Oostkapelle.
Kamperland, Bruinisse, de kerk van Biervliet: ze vinden alles even mooi. Ze wisselen adresjes uit waar je de lekkerste kibbeling eet (in Breskens, u heeft het niet van mij) en bekvechten over wat het mooiste stadje van Zeeland is, Veere of Zierikzee. Als ze weer naar huis moeten, bedanken ze de mensen in Zeeland voor de gastvrijheid en tellen ze de maanden af totdat ze weer mogen.
Alles wat velen van ons doodnormaal vinden, simpelweg omdat we het dag in dag uit zien, vinden zij bijzonder. In hun ogen is het een voorrecht om hier elke dag te kunnen zijn. Daar denk ik sindsdien aan als ik weer eens tussen de campers en de caravans in de file sta, want ze hebben gelijk.
Het is zoals zo vaak met geluk: het ligt om de hoek.
=
#2 Ik ben eerst Zeeuw, dan pas Nederlander
Dit is pas mijn tweede column en ik moet nu al excuses maken. Ik heb me vorige week namelijk helemaal niet voorgesteld. Tja, ik ben daar niet zo goed in. Bovendien, waarom zou ik me voorstellen aan familie? Want zo zie ik u, beste mede-Zeeuwen: als familie.
Ik ben eerst Zeeuw, dan pas Nederlander. Als Zeeland zich ooit onafhankelijk verklaart, een idee dat collega Marco onlangs opperde, ben ik de eerste die klaarstaat op de Brouwersdam, om ons land te verdedigen tegen de Hollanders. Ik vind de Zeeuwse vlag de mooiste die er is. Haalt onze beste kitesurfer een bronzen medaille op de Olympische Spelen, dan ben ik trots op Annelous. Geen achternaam; het is familie. Zoals onze beste amazone gewoon Dinja is, of beter nog: Dinja ‘van ons’, onze meest geliefde wielrenner Keetie en onze meest tot de verbeelding sprekende zeeheld Michiel.
Wel verschillen we nogal van elkaar. Er bestaat geen familie in Nederland die zo contrastrijk is. Walcheren, de dominante pater familias die soms wat hoog van de toren blaast, maar met recht van spreken want kijk eens hoe mooi hij woont. Schouwen-Duiveland, de vrolijke oom die je altijd een goed gevoel geeft. Zeeuws-Vlaanderen, de bedeesde neef die net iets te graag moppert maar ongemerkt enorm geniet. En Beveland, de relaxte moeder die het leven neemt zoals het is. Ze is een beetje verknipt, want een deel van haar is wat strenger in de leer, net als haar tweelingzus Tholen.
Ik ken mijn familie door en door, al 49 jaar. Ik ben geboren en opgegroeid in Hoek, ‘op Denoek’ zoals ze daar zeggen, ging naar de middelbare school in Terneuzen, reisde de wereld rond en streek op een dag neer in Goes, woon al weer lang in Kloetinge en werk in Middelburg, als verslaggever van de krant die ik al lees sinds ik kan lezen. Iedereen is mij even lief. Soms erger ik me aan iemand, maar dat komt in de beste families voor.
Ons huis staat open voor iedereen: Duitsers, Belgen, vluchtelingen. Je moet wel mossels lusten, en je een beetje normaal gedragen. Vind je dat je ons bent ontgroeid, vertrek dan vooral richting de Randstad, en neem je konijn mee. Wij redden ons wel, met elkaar.
=
#3 Hoe een bolus Willem van Hanegem terug in Zeeland bracht
Ik ging naar de Kuip om Willem van Hanegem te zien en ik had bolussen meegenomen. Dat doe ik graag, bolussen meenemen. Het is attent, ik ken niemand die ze niet lekker vindt en er blijft er altijd wel eentje over voor mezelf.
Heel origineel is het niet, ik geef het toe. Willem had daar geen boodschap aan. Zijn ogen begonnen ogenblikkelijk te glinsteren, alsof hij zich de hele ochtend al had verheugd op bolussen van zijn bezoek uit Zeeland. Hij haalde ze meteen uit de zak, wat heel goed was, want een bolus moet je niet te lang laten liggen.
Bolussen zijn alleen lekker als ze vers zijn. Bewaar je ze een dag, dan zijn ze zo hard en taai dat je er een inbreker mee tegen de grond kunt slaan. Ik was eens met een collega uit de Randstad in het Watersnoodmuseum en de enige bolussen die ze daar hadden, kwamen uit de vriezer. De collega was er in al haar onwetendheid zo enthousiast over dat ze er ook nog eentje meenam voor thuis. Je moet er niet aan denken.
We gingen op de tribune zitten, het heilige gras schitterde in de nazomerzon. Willem nam een grote hap. Hij vond het een goede bolus, dat zag ik gelijk. Hij werd er zo door in beslag genomen dat ik niet toekwam aan het stellen van mijn serieuze vragen, waarvoor ik hier toch was.
De bolus bracht Willem (ik mocht geen ‘meneer Van Hanegem’ zeggen) terug in Zeeuws-Vlaanderen, waar hij tachtig jaar geleden is geboren en sindsdien een speciale band mee heeft. Hij vroeg waar ik vandaan kwam. Uit Hoek, aha, daar was hij vroeger eens geweest. Hij kende de Braakman en natuurlijk de voetbalclub. Willem volgde al het voetbal, dus ook de derde divisie B. ,,Vorige week hebben ze nog gewonnen.”
Hij nam een nieuwe hap en liet de bolus smelten op zijn tong. ,,Weet je”, zei hij ineens, ,,wat ik altijd het mooiste vond aan Zeeland?” Ik wist het niet. ,,De boot van Vlissingen naar Breskens. Die gaf me zo’n geweldig gevoel, alsof ik naar het buitenland ging. Ik zie mezelf nog aan de reling staan.”
Hij sloot zijn ogen een stukje en ik zag dat hij in gedachten weer aan de reling stond, licht meedeinend op de golven. En dat allemaal door een bolus, de beste binnenkomer die er is.
=
#4 Dat machteloze gevoel dat ons Zeeuwse landschap is verpest
Soms moet ik me neerleggen bij iets waar ik geen invloed op heb. Dat vind ik moeilijk. We leven in de waan dat we controle hebben, maar in de praktijk blijkt keer op keer dat het leven zich daar niets van aantrekt.
Ik las eens een verhaal over een straatarm gezin dat een weekje in een vakantiepark cadeau kreeg. Het regende de hele week. Dat was jaren geleden en het raakt me nog steeds, omdat ik het zo oneerlijk vond. Had dat niet anders gekund?
Regen op je trouwdag, een geannuleerde vlucht, de liefde van je leven die voor een ander kiest: de werkelijkheid laat zich niet regisseren. Dat is goed, want het houdt ons nog een beetje met beide benen op de grond, maar het geeft ook een machteloos gevoel.
Mijn achterbuurman Bert is boer in Abbekinderen. De regen heeft dit jaar zijn oogst verknald. Bert is dag en nacht afhankelijk van het weer. ,,Daar moet je mee leren leven”, zegt hij. ,,Het heeft geen enkele zin om je er druk over te maken, je kunt er niks aan veranderen.”
Ik vind dat bewonderenswaardig; ik zou er knettergek van worden. Het helpt om onverstoorbaar door het leven te gaan, zoals een zenboeddhist, een topsporter of een boer. Focus op de dingen waar je wel iets aan kunt doen en vergeet al het andere, hoe moeilijk dat ook is.
En toch, bij één ding kan ik me niet neerleggen: de nieuwe hoogspanningsmasten op Zuid-Beveland. Collega Wendy schreef er dit voorjaar al een ontluisterende reportage over. Het went vanzelf, kregen de mensen daar te horen, ze vallen niet op. Dat doen ze wel, weten we nu, en het went niet. Telkens als ik over de A58 van Goes naar Middelburg rijd, zie ik ze staan en voel ik de pijn. Ons Zeeuwse landschap is verpest. Het uitzicht is weg, de ziel is uit het land.
Ik heb er een lief ding voor over om die kabels alsnog onder de grond te krijgen. Ik denk niet dat TenneT dat voor ons gaat betalen, dus we zullen het zelf moeten opbrengen. Het zal vast een duizelingwekkend bedrag zijn, en volstrekt onmogelijk. Bovendien moeten we het ook nog langs de overheid krijgen, want die beslist.
Het is iets waar ik geen invloed op heb, en ik zou zo graag zijn als Bert, maar het lukt me niet om het van me af te zetten. Ik ga toch eens uitzoeken wat het kost.
=
#5 Kerncentrales in Terneuzen, ik zou er niet gerust op zijn
Woon je in alle rust in een polder die verder niemand kent, zit je ineens in een gymzaal in Biervliet tegenover mannen die vertellen dat er straks misschien kerncentrales in je achtertuin staan. Mijn vader zou ook gaan, maar hij zat met z’n rug. Hij woont om de hoek en denkt dat ze er komen.
Ik ken de Paulinapolder van vroeger, in mijn herinnering is het een prachtig stukje Zeeland. Tijdloos akkerland met oneindig uitzicht tussen de bomenrijen door. Je kunt er zwemmen in de zomer met de modder tussen je tenen. Wel onder de rook van Dow; daar ontkom je hier niet aan. Een paar jaar geleden zouden er ook al windturbines komen. Dat zagen omwonenden niet zitten. Zet die maar op de Mosselbanken, zeiden ze.
De Mosselbanken is een heel vreemd gebied dat grenst aan de Paulinapolder. Toen de Braakman dichtging in 1952, een grote gebeurtenis die Zeeuws-Vlaanderen een jaar later redde van de overstroming, bleef het over als schorrengebied. Dow landde in 1964 aan de andere kant van de Braakman en daar was de provincie zo blij mee dat ze in de jaren 70 ook de Mosselbanken liet inpolderen, zodat de nieuwe Amerikaanse vriend kon uitbreiden. Maar Dow, echt waar, had dat terrein helemaal niet nodig. Tientallen jaren lag het braak. Pas deze eeuw zijn er wat bedrijven gekomen en een zonnepark.
De gemeente Terneuzen schuift de Mosselbanken en de Paulinapolder nu naar voren als enige mogelijkheid voor de twee nieuwe kerncentrales die de regering wil. Een slimme zet om de aandacht weg te halen bij de rest van de gemeente, want het ministerie heeft meer locaties in Terneuzen op het oog. Voor je het weet staat de hele zeedijk van de Griete tot aan Ossenisse vol.
Paniek om niks? Misschien. Borssele en de Maasvlakte staan hoger op de lijst. In Borssele hebben bestuurders en bewoners zich verenigd in een front en zo veel voorwaarden opgesteld dat er altijd wel eentje tussen zit waar de overheid niet aan kan voldoen. Ook is het daar vrij krap. In Rotterdam heeft het Havenbedrijf zich gekeerd tegen de Maasvlakte, zowel de Eerste als de Tweede. Als de havenbazen iets niet willen, hoed je dan maar. Die kunnen lobbyen, dat is ongeëvenaard. Blijft over: Terneuzen. Ik zou er niet gerust op zijn.
=
#6 Ik ken mensen die bang zijn om bij Emergis te komen
Ik woon aan de rand van Kloetinge, Emergis is mijn achtertuin. Daar kun je prachtig wandelen met de hond, er is een boomgaard en zelfs een bos. Ik ken ook buurtgenoten die liever niet op het terrein komen, omdat er mensen met psychische problemen zitten.
Ik heb weleens een verwarde mevrouw terug naar binnen gebracht. Ze liep door de polder en dacht dat ze in Terneuzen was. Sommige anderen kom ik zo vaak tegen dat we elkaar zijn gaan groeten. Ik maak ’s avonds graag een praatje met Saruman. Zo heet hij niet, maar hij lijkt op de tovenaar met de lange baard uit The Lord of the Rings. Hij wenst de hond en mij altijd een prettige wandeling. ,,En Gods zegen!”
De anorexiameisjes groeten nooit. Ze lopen snel en plichtmatig, de blik op de grond gericht. Hun benen zijn zo dun dat ik bang ben dat ze breken. Vaak zie ik ze een aantal maanden na elkaar, dan ineens niet meer. Daar hoop je altijd maar het beste van.
De zondagavonden zijn het moeilijkst. Dan stoppen de auto’s en stappen de kinderen uit die doordeweeks in Emergis zitten; in het weekend zijn ze thuis geweest. Ze dragen een tas en een kussen en soms een knuffel. Hun vader of moeder loopt mee tot de deur, tot die in het slot valt. Hartverscheurend, telkens weer.
Een kwart van alle volwassen Nederlanders worstelt met de mentale gezondheid. Dat zijn meer dan drie miljoen mensen. Mentale problemen zijn een sluipmoordenaar, een onzichtbare vijand in je hoofd. Een vijand die zegt wat je moet doen, dat je stom bent of te dik. Die vervelende dingen van vroeger herhaalt. Die je opdrachten geeft. Die je wijsmaakt dat anderen je pijn willen doen. Of dat je leven nutteloos is, net als jij.
Ik heb zelf ook donkere tijden. Ze komen onverwacht, niet standaard als de bladeren vallen, soms hartje zomer. Dan heeft het leven weinig kleur en ben ik stil en teruggetrokken. Ik krijg mezelf er meestal weer bovenop; muziek doet goed. Als het echt lang duurt, ga ik met iemand praten.
Op praten over depressie en angst rust nog altijd een taboe, zeker voor mannen. Het is ook nogal een stap. Maar het helpt om een andere stem te horen dan die in je hoofd. Een stem die je houvast geeft en nieuwe wegen laat zien. En als je daarvoor naar Emergis moet, dan moet je dat doen. Ik zal je groeten.
=
#7 Dit was de enige plek waar ik kon zijn
Het regende zo hard dat er geen houden aan was voor mijn veel te kleine paraplu. Binnen de kortste keren was ik drijfnat. Van de wedstrijd zag ik niets meer door de druppels op mijn bril. Hoog in de lucht zetten de eerste wilde ganzen koers richting het zuiden, en gelijk hadden ze. Ik dacht: wat doe ik hier? Maar dit was de enige plek waar ik kon zijn.
Ik stond op een sportpark in Middelburg en ik was moe. Het was een hectische week geweest, ik verlangde naar een slome zaterdagochtend met cappuccino’s en de krant. Vroeger ging ik altijd mee naar de uitwedstrijden van mijn zoon, maar de laatste jaren was dat minder geworden. Hij had zijn vader niet meer nodig om z’n veters te strikken. Steeds vaker vroeg ik me af of hij eigenlijk wel had gezien dat ik er was.
Toch had ik de wekker gezet. Dat kwam door TikTok. Daar zet mijn zoon filmpjes van anderen op, die allemaal over voetbal gaan. Af en toe kijk ik daar eens naar, vooral om te zien of er geen gekke dingen tussen zitten. Zo viel mijn oog laatst op een video die uit een serie teksten bleek te bestaan. ‘Sorry dat ik niet bij je wedstrijd was’, las ik. En daarna: ‘Dat geeft niet, mijn vader was er.’ ‘Sorry dat ik je niet heb zien scoren.’ ‘Dat geeft niet, mijn vader zag het.’ ‘Sorry dat ik je niet heb kunnen troosten.’ ‘Dat geeft niet, mijn vader deed het.’
Mijn puberzoon, die thuis zo minimaal mogelijk communiceert, omdat zijn ouders van een andere planeet komen en hem toch niet begrijpen, uitte hier zijn gevoelens met woorden die hij weliswaar niet zelf had geschreven, maar wel zelf had gekozen. Het filmpje duurde amper tien seconden, meer waren er ook niet nodig. Sindsdien sta ik weer langs de lijn in alle uithoeken van Zeeland en dat zal ik doen zolang hij voetbalt. Een schouderklopje hoef ik daar niet voor; elke zaterdag doen duizenden vaders en moeders dat in dit land.
Ieder mens wil gezien worden en ieder kind al helemaal. Als je maar even in de gelegenheid bent: zet die wekker en maak die reis naar dat sportpark, die gymzaal of dat zwembad. Ook al ben je moe, ook al heb je zoveel te doen, ook al denk je dat ze je helemaal niet zien. Ze zien je, altijd.
Reactie plaatsen
Reacties