Een hele tijd geleden maakte ik een grote reis door Afrika. Daar leerde ik hoe het is om anders te zijn. Ik ging de toeristische gebieden uit de weg en reisde met het openbaar vervoer, waardoor ik vaak de enige buitenlander was. Ik viel dus nogal op.
Op een zondag in november stapte ik op de veerboot over het Tanameer, het grootste meer van Ethiopië. De andere passagiers staarden me aan alsof ik van de maan kwam. ,,Faranji”, fluisterden ze tegen elkaar; het plaatselijke woord voor buitenlander. Ik ging zitten op het bovendek en pakte de zonnebrand. Grote opwinding: de witte man smeerde iets op zijn gezicht waarvan hij nóg witter werd!
De reis naar de overkant zou anderhalve dag duren met tussenstops op een eiland en in dorpjes langs het meer. Het had een lange, ongemakkelijke zit kunnen worden. Dat werd het niet. Zodra de Ethiopiërs van de schrik bekomen waren, schoten ze in actie.
De kapitein kwam hoogstpersoonlijk mijn bagage ophalen om die veilig te bewaren in zijn stuurhut. Een jongen, Yikas, stelde me voor aan zijn vrienden en vroeg of ik met hen over voetbal wilde praten, over Van Nistelrooij en Van Persie. Een monnik (Ethiopië is een zeer gelovig land) was benieuwd naar mijn reisgids, die hij urenlang bestudeerde. De kleine kinderen kwamen de vreemde van dichtbij bekijken en gaven allemaal netjes een hand.
Yikas bleek op het eiland te wonen. Ik moest met hem mee om zijn moeder te ontmoeten. In hun huisje zat ik op één van de twee stoelen. Zijn moeder maakte thee voor me. Bij elke volgende stop nam Belay, een leraar, me mee de dorpjes in om samen brood en geitenvlees te eten. Nergens mocht ik van hem betalen, hoewel ik genoeg op zak had om de hele geit te kunnen kopen. Terug aan boord ging ik verder met kaarten, want ik was intussen opgenomen in de kaartclub van Fexadu en zijn maten. We speelden Ethiopisch poker. De uren vlogen voorbij.
Het laatste uur, bijna iedereen was al van boord, kwam de kapitein me vragen of ik een goede reis had gehad. Hij zag maar weinig toeristen op zijn boot. Dat vond hij jammer, want hij was trots op zijn land. Ik zei hem dat de mensen van zijn land goed voor me hadden gezorgd. Dat compliment wuifde hij weg. Ik was een vreemdeling, wat hadden ze anders moeten doen?
Reactie plaatsen
Reacties